Completar Frases
Enkele belangrijke grammaticale regels en toepassingen
HET
LIDWOORD
Voorbeeld
:
DE
bank
staat
naast
HET
raam
.
Wat
,
Het
lidwoord
staat
voor
het
zelfstandig
naamwoord
.
Regel
:
EEN
?
onbepaald
lidwoord
=
alleen
ENKELVOUD
,
geen
meervoud
!
Je
weet
NIET
over
welke
persoon
,
over
welk
dier
of
over
welk
voorwerp
het
gaat
.
Voorbeeld
:
Er
staat
een
fiets
op
straat
.
DE
/
HET
?
bepaald
lidwoord
=
Enkelvoud
.
Indien
meervoud
:
altijd
DE
.
Je
weet
over
welke
persoon
,
over
welk
dier
of
over
welk
voorwerp
het
gaat
.
Bijvoorbeeld
:
Het
boek
ligt
op
tafel
.
De
hond
is
heel
lief
.
De
meisjes
staan
op
de
speelplaats
.
Je
vindt
het
juiste
bepaald
lidwoord
in
het
woordenboek
.
Vul
in
:
DE
,
HET
of
EEN
Ik
zoek
boek
over
vogels
.
huis
van
familie
Claes
is
heel
groot
.
kat
van
buren
heeft
rat
gevangen
.
Hij
opent
raam
van
zijn
slaapkamer
.
Deze
ochtend
is
mama
naar
bakker
in
dorp
gegaan
om
koffiekoeken
te
halen
.
Er
ligt
jas
op
grond
.
Van
wie
is
jas
die
daar
op
grond
ligt
?
In
tuin
zit
eekhoorn
.
Wij
maken
mooie
wandeling
in
bos
.
Ik
open
deur
van
museum
.
HET
ZELFSTANDIG
NAAMWOORD
Voorbeelden
:
De
HOND
is
heel
lief
.
Ik
ga
met
de
AUTO
.
De
MAN
leest
een
BOEK
.
1
.
Je
benoemt
mensen
,
dieren
en
dingen
met
een
zelfstandig
naamwoord
.
2
.
Je
kan
een
lidwoord
zetten
voor
een
zelfstandig
naamwoord
.
3
.
Een
zelfstandig
naamwoord
heeft
meestal
een
enkelvoud
en
meervoud
.
4
.
Van
zelfstandige
naamwoorden
kan
je
meestal
een
verkleinwoord
maken
.
Kopieer
de
zelfstandig
naamwoorden
in
de
volgende
zinnen
.
Ik
zoek
een
boek
over
vogels
.
,
Het
huis
van
de
familie
Claes
is
heel
groot
.
,
,
De
kat
van
de
buren
heeft
een
rat
gevangen
.
,
,
Hij
opent
het
raam
van
zijn
slaapkamer
.
,
Deze
ochtend
is
mama
naar
de
bakker
in
het
dorp
gegaan
om
koffiekoeken
te
halen
.
,
,
,
,
Er
ligt
een
jas
op
de
grond
.
,
Van
wie
is
de
jas
die
daar
op
de
grond
ligt
?
,
In
de
tuin
zit
een
eekhoorn
.
,
Wij
maken
een
mooie
wandeling
in
het
bos
.
,
Ik
open
de
deur
van
het
museum
.
,
HET
MEERVOUD
Wat
?
Je
moet
het
zelfstandig
naamwoord
aanpassen
als
je
er
meer
dan
1
benoemt
.
Regel
:
Het
lidwoord
in
het
meervoud
is
altijd
DE
ENKELVOUD
MEERVOUD
het
huis
?
de
huizen
de
stoel
?
de
stoelen
het
koekje
?
de
koekjes
De
meeste
woorden
hebben
een
meervoud
op
-
EN
.
de
kast
=
de
het
boek
=
de
de
bank
=
de
Let
op
de
spelling
:
korte
klank
=
dubbele
medeklinker
de
man
=
de
pen
=
lange
klank
=
1
klinker
+
medeklinker
de
maan
=
de
zoon
=
?
f
?
?
?
v
?
de
brief
=
?
s
?
?
?
z
?
het
huis
=
Meervoud
=
+
S
Woorden
met
?
-
er
?
de
kamer
=
Woorden
met
?
-
el
?
de
lepel
=
Woorden
met
?
-
en
?
de
jongen
=
Woorden
met
?
-
iër
?
de
skiër
=
Woorden
met
?
-
je
?
het
meisje
=
Woorden
met
?
doffe
-
e
?
de
studente
=
Woorden
met
?
-
eur
?
de
directeur
=
Woorden
uit
een
vreemde
taal
het
café
=
het
ticket
=
Meervoud
+
'S
Woorden
met
op
het
einde
?
a
?
,
?
i
?
,
?
o
?
,
?
u
?
,
?
y
?
de
ski
=
?
s
de
auto
=
?
s
HET
VERKLEINWOORD
WAT
?
Je
gebruikt
het
verkleinwoord
als
je
iets
klein
,
lief
of
schattig
vindt
.
Regel
:
Het
lidwoord
bij
een
verkleinwoord
is
altijd
HET
.
Voorbeelden
:
de
auto
?
het
autootje
de
man
?
het
mannetje
het
boek
?
het
boekje
+
TJE
Zelfstandige
naamwoorden
die
eindigen
op
een
klinker
(
a
,
e
,
i
,
o
,
u
)
.
?
de
klinker
verdubbelt
?
i
wordt
-
ie
de
auto
=
het
de
ski
=
het
Zelfstandige
naamwoorden
die
eindigen
op
:
?
een
lange
klinker
(
aa
,
ee
,
oo
,
uu
)
?
-
ie
,
-
ei
,
-
ij
,
-
au
,
-
ou
,
-
eu
,
-
ui
+
n
,
l
,
r
de
baan
=
het
de
muur
=
het
de
zool
=
het
de
tuin
=
het
Zelfstandige
naamwoorden
die
eindigen
op
-
y
.
de
baby
=
?
tje
(
Opgelet
:
met
weglatingsteken
!
)
Zelfstandige
naamwoorden
die
eindigen
op
-
el
,
-
en
,
-
er
,
-
or
.
de
tafel
=
de
oven
=
de
motor
=
Zelfstandige
naamwoorden
die
eindigen
op
-
w
.
het
touw
=
+
PJE
Zelfstandige
naamwoorden
die
eindigen
op
-
m
.
de
boom
=
de
film
=
+
ETJE
Zelfstandige
naamwoorden
die
eindigen
op
een
korte
klinker
met
klemtoon
+
-
l
,
-
m
,
-
n
,
-
ng
,
-
r
.
?
De
laatste
medeklinker
verdubbelt
in
het
meervoud
(
niet
bij
?
ng
?
!
)
de
kam
=
de
man
=
de
tang
=
+
KJE
Zelfstandige
naamwoorden
die
eindigen
op
-
ing
.
?
De
?
g
?
verandert
in
een
?
k
?
de
ketting
=
UITZONDERINGEN
het
blad
=
het
glas
=
het
schip
=
Het
lidwoord
in
het
meervoud
is
altijd
DE
de
bomen
=
de
de
manen
=
de
de
mannen
=
de
pennen
=
de
glazen
=
de
schepen
=
HET
BIJVOEGLIJK
NAAMWOORD
=
HET
ADJECTIEF
Wat
?
Het
bijvoeglijk
naamwoord
zegt
iets
meer
over
een
zelfstandig
naamwoord
.
Voorbeelden
:
het
OUDE
huis
het
LEKKERE
eten
de
RODE
boekentas
een
MOOI
boek
Regel
:
Het
bijvoeglijk
naamwoord
staat
ACHTER
het
zelfstandig
naamwoord
.
Je
verandert
niets
aan
het
bijvoeglijk
naamwoord
.
Bijvoorbeeld
:
de
fiets
is
mooi
.
Het
bijvoeglijk
naamwoord
staat
VOOR
het
zelfstandig
naamwoord
.
Je
schrijft
meestal
(
=
niet
altijd
!
)
het
bijvoeglijk
naamwoord
+
e
.
Je
moet
hiervoor
kijken
naar
het
zelfstandig
naamwoord
.
Bijvoorbeeld
:
de
mooie
fiets
.
Enkelvoud
:
DE
sterke
man
.
HET
mooie
huis
.
Meervoud
:
DE
sterke
mannen
.
DE
mooie
huizen
.
EEN
sterke
man
.
EEN
mooi
huis
.
Schrijf
de
zinnen
opnieuw
zodat
het
bijvoeglijk
naamwoord
voor
het
zelfstandig
naamwoord
staat
.
De
monnik
is
blind
.
De
monnik
De
torenkamer
is
donker
.
De
torenkamer
De
lucifers
zijn
nat
.
De
lucifers
Het
handschrift
is
mooi
.
Het
handschrift
De
zonnestraal
wordt
klein
.
De
zonnestraal
Vul
de
juiste
vorm
van
het
bijvoeglijk
naamwoord
in
:
Een
raam
.
(
groot
)
Een
kat
.
(
klein
)
Een
schilderij
.
(
prachtig
)
Een
hond
.
(
wit
)
Een
olifant
.
(
groot
)
DE
TRAPPEN
VAN
VERGELIJKING
Wat
?
De
trappen
van
vergelijking
gebruik
je
om
personen
,
dingen
,
situaties
?
te
vergelijken
.
Voorbeelden
:
De
rode
auto
is
MOOIER
dan
de
blauwe
auto
.
De
gele
auto
vind
ik
HET
MOOIST
.
Regel
:
Er
zijn
3
trappen
van
vergelijking
1
.
de
stellende
trap
:
De
vrouw
is
mooi
.
De
struik
is
groot
.
=
adjectief
2
.
de
vergrotende
trap
Deze
vrouw
is
mooier
dan
die
vrouw
.
De
boom
is
groter
.
=
adjectief
+
er
(
dan
)
3
.
overtreffende
trap
Mijn
vrouw
is
het
mooist
.
De
mooiste
vrouw
.
Dit
is
de
grootste
boom
.
=
het
+
adjectief
+
st
(
e
)
LET
OP
!
!
1
.
Soms
verandert
de
spelling
!
?
Een
korte
klank
(
a
,
e
,
i
,
o
,
u
)
blijft
kort
.
Wij
schrijven
een
dubbele
medeklinker
.
Bijvoorbeeld
:
snel
=
sneller
?
Een
lange
klank
(
aa
,
ee
,
oo
,
uu
)
schrijven
we
met
één
klinker
.
Bijvoorbeeld
:
groot
=
groter
2
.
Bijvoeglijke
naamwoorden
(
adjectieven
)
die
eindigen
op
-
r
krijgen
bij
de
vergrotende
trap
+
der
.
Bijvoorbeeld
:
duur
=
duurder
3
.
Bijvoeglijke
naamwoorden
van
3
of
meer
lettergrepen
krijgen
in
de
overtreffende
trap
?
meest
?
ervoor
.
Het
geconcentreerde
meisje
.
Het
meisje
is
geconcentreerder
dan
de
jongen
.
Het
meest
geconcentreerde
meisje
.
4
.
Uitzonderingen
(
die
moet
je
uit
het
hoofd
studeren
!
)
:
goed
beter
best
graag
liever
liefst
veel
meer
meest
weinig
minder
minst
Vul
de
vergrotende
trap
in
:
De
auto
van
mijn
buurman
is
dan
die
van
mij
.
(
duur
)
Deze
opgave
is
dan
de
vorige
opgave
.
(
moeilijk
)
Haar
koffer
is
dan
de
mijne
.
(
zwaar
)
De
koffie
in
dit
café
is
dan
in
dat
café
.
(
lekker
)
Het
weer
van
vandaag
is
dan
gisteren
.
(
slecht
)
Vul
de
overtreffende
trap
in
:
Hij
is
de
speler
van
het
hele
team
.
(
goed
)
Het
is
het
boek
dat
ik
ooit
heb
gelezen
.
(
interessant
)
Mijn
oma
maakt
de
taarten
van
de
hele
familie
.
(
lekker
)
Zijn
huis
is
het
van
de
hele
straat
.
(
mooi
)
Deze
film
is
de
film
die
ik
ooit
heb
gezien
.
(
eng
)
Vul
de
juiste
trap
van
vergelijking
in
:
Antwerpen
is
dan
Leuven
.
(
druk
)
Ik
ben
de
van
vier
kinderen
.
(
jong
)
Ik
voel
me
dan
gisteren
.
(
goed
)
Hij
is
in
wiskunde
dan
ik
.
(
sterk
)
Dit
is
de
film
die
ik
ooit
heb
gezien
.
(
slecht
)
Het
weer
vandaag
is
dan
gisteren
.
(
mooi
)
Mijn
vader
is
dan
mijn
moeder
.
(
oud
)
Dit
is
de
opgave
van
de
cursus
.
(
moeilijk
)
De
zomer
is
het
seizoen
van
het
jaar
.
(
warm
)
Mijn
oma
bakt
de
taarten
.
(
lekker
)
HET
PERSOONLIJK
VOORNAAMWOORD
1
.
HET
PERSOONLIJK
VOORNAAMWOORD
ALS
ONDERWERP
Wat
?
Een
persoonlijk
voornaamwoord
verwijst
meestal
naar
personen
en
soms
naar
dieren
of
dingen
.
Voorbeelden
:
HIJ
aait
de
hond
.
JIJ
komt
met
de
bus
naar
school
.
IK
ga
naar
school
.
1e
persoon
enkelvoud
=
2e
persoon
enkelvoud
=
of
je
beleefdheidsvorm
=
3e
persoon
enkelvoud
:
mannelijk
=
vrouwelijk
=
of
ze
1e
persoon
meervoud
=
of
we
2e
persoon
meervoud
=
3e
persoon
meervoud
=
of
ze
Als
we
spreken
over
dieren
en
dingen
gebruiken
we
:
in
het
enkelvoud
:
hij
,
zij
/
ze
,
het
in
het
meervoud
:
ze
Bijvoorbeeld
:
De
fiets
is
nieuw
.
Hij
is
nieuw
.
De
leeuwin
slaapt
.
Ze
slaapt
.
Het
huis
is
groot
.
Het
is
groot
.
De
boeken
liggen
op
de
bank
.
Ze
liggen
op
de
bank
.
Is
een
woord
mannelijk
(
hij
)
of
vrouwelijk
(
zij
)
?
Dat
zoek
je
op
in
het
woordenboek
!
Vul
het
juiste
persoonlijk
voornaamwoord
in
:
Ik
woon
in
Leuven
.
(
1e
persoon
enkelvoud
)
Jij
bent
mijn
vriend
.
(
2e
persoon
enkelvoud
)
Mevrouw
,
hoe
heet
?
(
3e
persoon
enkelvoud
)
Jan
is
een
jongen
.
is
een
jongen
.
An
is
een
meisje
.
is
een
meisje
.
Mustafa
en
ik
zitten
samen
in
de
klas
.
zitten
samen
in
de
klas
Jullie
gaan
met
de
bus
.
(
2e
persoon
meervoud
)
Thomas
en
Kobe
komen
naar
school
.
komen
naar
school
.
HET
PERSOONLIJK
VOORNAAMWOORD
2
.
HET
PERSOONLIJK
VOORNAAMWOORD
ALS
NIET
-
ONDERWERP
Voorbeelden
Ik
zie
HAAR
wandelen
op
straat
.
Ik
telefoneer
naar
HEM
.
1e
persoon
enkelvoud
=
of
me
2e
persoon
enkelvoud
=
of
jou
beleefdheidsvorm
=
3e
persoon
enkelvoud
mannelijk
=
vrouwelijk
=
1e
persoon
meervoud
=
2e
persoon
meervoud
=
3e
persoon
meervoud
=
of
ze
na
voorzetsel
(
prepositie
)
Als
we
spreken
over
dieren
en
dingen
gebruiken
we
:
in
het
enkelvoud
:
hem
,
haar
,
het
in
het
meervoud
:
ze
Bijvoorbeeld
:
Sarah
ziet
de
hond
.
Ze
geeft
hem
eten
.
Thomas
kijkt
naar
de
leeuwin
.
Hij
vindt
haar
mooi
.
De
jongen
heeft
een
boek
.
Hij
geeft
het
aan
het
meisje
.
De
meisjes
zien
de
paarden
.
Zij
geven
ze
te
eten
.
Vul
het
juiste
persoonlijk
voornaamwoord
in
:
Ik
ben
bij
de
dokter
.
Hij
onderzoekt
.
Ik
ken
goed
.
(
2e
persoon
enkelvoud
)
Jan
staat
op
de
foto
.
Wij
zien
op
de
foto
.
An
neemt
de
bus
van
14u
.
Jullie
brengen
naar
de
bus
.
Wij
zijn
bij
de
fotograaf
.
Hij
fotografeert
.
Jullie
zitten
vooraan
in
de
klas
.
De
leerkracht
ziet
.
Julia
en
Simon
praten
over
de
les
.
Ik
hoor
praten
.
Sara
en
Christine
zijn
jarig
.
Ik
geef
het
cadeau
.
Ik
geef
het
cadeau
aan
.
HET
BEZITTELIJK
VOORNAAMWOORD
Wat
?
Een
bezittelijk
voornaamwoord
vertelt
iets
over
een
bezit
van
iemand
en
staat
altijd
bij
een
zelfstandig
naamwoord
.
Voorbeelden
:
Dat
is
ZIJN
boekentas
.
Ik
geef
MIJN
agenda
aan
de
leerkracht
.
Regel
:
Het
bezittelijk
voornaamwoord
staat
VOOR
het
zelfstandig
naamwoord
.
Voorbeeld
:
Dit
is
MIJN
JAS
.
Mijn
=
bezittelijk
voornaamwoord
.
Jas
=
zelfstandig
naamwoord
.
Je
kan
een
bijvoeglijk
naamwoord
zetten
tussen
het
bezittelijk
voornaamwoord
en
het
zelfstandig
naamwoord
.
Bijvoorbeeld
:
Haar
mooie
jas
is
stuk
.
Haar
=
bezittelijk
voornaamwoord
mooie
=
bijvoeglijk
naamwoord
jas
=
zelfstandig
naamwoord
1e
persoon
enkelvoud
=
2e
persoon
enkelvoud
=
beleefdheidsvorm
=
3e
persoon
enkelvoud
mannelijk
=
vrouwelijk
=
1e
persoon
meervoud
de
-
woord
=
het
-
woord
=
2e
persoon
meervoud
=
3e
persoon
meervoud
=
Vul
het
juiste
bezittelijk
naamwoord
in
Jan
en
ik
zijn
vrienden
.
Jan
is
vriend
.
Jij
hebt
een
rode
fiets
.
Dat
is
rode
fiets
.
Dit
is
koffie
,
meneer
.
Het
boek
is
van
Jan
.
boek
ligt
op
de
tafel
.
De
pen
is
van
Alice
.
pen
ligt
op
de
grond
.
Wij
hebben
een
boek
over
dinosaurussen
.
Het
is
boek
.
Wij
zitten
in
de
klas
.
Het
is
klas
.
Jullie
krijgen
les
van
Meneer
Smit
.
Meneer
Smit
is
leraar
.
Daar
zijn
Soraya
en
Yousef
.
En
dit
zijn
ouders
.
HET
AANWIJZEND
VOORNAAMWOORD
Wat
?
Een
aanwijzend
voornaamwoord
wijst
een
ding
/
persoon
aan
.
Voorbeelden
:
DEZE
jurk
vind
ik
mooi
.
DIT
boek
lees
ik
graag
.
Iets
dat
dichtbij
ligt
:
deze
of
dit
de
-
woord
=
het
-
woord
=
meervoud
=
Iets
dat
veraf
ligt
:
die
of
dat
de
-
woord
=
het
-
woord
=
meervoud
=
Vul
het
juiste
aanwijzend
voornaamwoord
in
:
boekentas
is
van
mij
.
(
=
dichtbij
)
boekentas
is
rood
.
(
=
veraf
)
boek
is
heel
interessant
.
(
=
dichtbij
)
boek
is
niet
interessant
.
(
=
veraf
)
mappen
zijn
van
de
OKAN
-
klas
.
(
=
dichtbij
)
mappen
zijn
van
de
leerlingen
van
voeding
-
verzorging
.
(
=
veraf
)
|