Froggy Jumps Werkwoorden met vast voorzetsel 1Versión en línea NT2. B1. por Boglárka Kozári 1 In de puberteit gaan jongeren meer aandacht besteden _____ hun uiterlijk. a met b aan c op 2 Ben je bang _____ spinnen? a voor b van c met 3 Gecondoleerd _____ het overlijden van je oma. a op b met c over 4 Hij ergert zich vaak ____ mensen die in de trein eten. a over b met c aan 5 Ze heeft een hekel _____ mensen die te laat komen. a met b aan c op 6 Hij is altijd op de hoogte ____ het laatste nieuws. a over b met c van 7 Je zou altijd ____ de grapjes van je kind moeten lachen. a om b op c aan 8 Houd er rekening ____ dat hij nog een kind is. a bij b mee c van 9 Zij schaamt zich ______ haar grote neus. a voor b van c op 10 We zijn erg geschrokken _____ het slechte nieuws. a aan b met c van 11 Ik heb gesolliciteerd _____ een nieuwe functie. a op b naar c met 12 Hij is geslaagd _____ zijn rijexamen. a voor b van c met 13 Ik ben erg slecht ____ het onthouden van namen. a in b van c met 14 Zij heeft spijt _____ haar studiekeuze. a over b met c van 15 ____ wie ga jij stemmen bij de volgende verkiezingen? a Van b Op c Aan 16 Ik heb trek ____ een kroket! a van b op c in 17 Gefeliciteerd ____ je nieuwe baan. Ik ben zo trots ____ je! a met / op b van / op c met / met 18 Zij verbaast zich ____ de voorzetsels in het Nederlands. a over b van c op 19 Hij heeft zich vergist ____ de datum. a over b met c in 20 Ik verheug me ____ Kerstmis met mijn familie. a met b op c over 21 Verlang jij ook zo ____ een kop warme chocolademelk? a over b naar c op 22 Ik kijk uit ____ de dag dat ik geslaagd ben. a van b op c naar 23 Als we gaan tennissen, verlies ik altijd _____ jou. a van b op c tegen 24 Hij is verslaafd ____ gamen. a op b aan c voor 25 Heb jij verstand _____ computers? a over b van c met 26 Heb jij je goed voorbereid ____ de test? a van b op c met 27 Ik zal me even ____ jullie voorstellen. Ik ben Jan de Graaf. a met b aan c bij 28 De weerman heeft gewaarschuwd _____ mist op de weg. a aan b voor c op 29 Zij kan niet wennen ____ het gebruik van een agenda. a op b aan c bij 30 Heb je zin ____ een ijsje? a in b op c met