werkwoordenVersión en línea vul het juiste werkwoord in por Babs Rosseel 1 mijn broer (vinden) zijn sokken niet meer terug a vint b vind c vindt 2 mijn mama riep, maar ik had haar niet (horen) a gehoord b hoord c gehoort d gehoren 3 vorig jaar (beloven) mijn ouders mij een barbiepop, maar ik heb hem nooit gekregen. a beloofden b beloofdden c beloovden 4 ik (lopen) vanochtend naar de bushalte. a loopte b liepte c liep 5 ik (zenden) een berichtje naar mijn oma. a zendt b zend c zent d send 6 ik ben (uitstappen) in het station van Landegem. a uitgestap b uitgestapte c uitgestappen d uitgestapt 7 de meisjes (kleden) zich om in de badkamer. a kleeden b kleden c kleedten 8 mijn hoofd (barsten) eergisteren van de pijn a barstte b barste c barsten 9 ik (kweken) tomaten in mijn tuin a kweekt b kweken c kweek 10 vorig weekend (zwemmen) ik 1km. a zwemde b zwom c zwemdde