wa reisde maakte hoefde vertelde gebruikte geloofde pakte studeerde wilde werkte betaalde woonde kende hoorde leerde regende antwoordde wandelde probeerde had heette fietste kookte lukte
fietsen
-
gebruiken
-
antwoorden
-
heten
-
hoeven
-
horen
-
leren
-
kennen
-
koken
-
lukken
-
pakken
-
betalen
-
geloven
-
maken
-
willen
-
proberen
-
regenen
-
studeren
-
vertellen
-
wandelen
-
werken
-
wonen
-
reizen
-
hebben
-
zijn
-