An
heeft
haar
vriend
.
(
uitnodigen
)
Hij
heeft
dat
daar
.
(
leggen
)
Zij
heeft
dat
.
(
roken
)
Ik
heb
dat
.
(
huren
)
Iedereen
heeft
iets
.
(
koken
)
Heb
jij
die
bloemen
?
(
planten
)
Ik
heb
vandaag
een
hond
.
(
tekenen
)